Vier sleutels om het einde van christelijk onderwijs te voorkomen

Roel vSAuteur: Roel van Swetselaar MA – docent Academie Theologie en betrokken als marktmeester bij het netwerk Identiteit en Kwaliteit (http://www.ienknetwerk.nl/)

“Op 18 maart 2024 besluit het parlement van Nederland, dat Artikel 23 van de grondwet wordt geschrapt. Er is geen onderscheid  meer tussen christelijk en openbaar onderwijs. Scholen profileren zich voortaan nog wel via eigen profielen, maar godsdienstige identiteit is daar geen keuze meer in. Aan deze ontwikkeling ging een lange weg vooraf. Deze begon met de toenemende constatering, dat de verschillen (op een aantal uiterlijkheden na) tussen openbaar en christelijk onderwijs niet echt groot meer waren. Door de afnemende leerlingenpopulatie in het noorden, oosten en zuiden van het land waren al diverse scholen gefuseerd. De financiering via de plaatselijke overheid werd ook aantrekkelijker als er samen werd gewerkt tussen de diverse denominaties. Voor de grote plaatsen gaf dit ook efficiency voordeel in het budgetbeheer onderwijs. Op een aantal plaatsen zijn de afgelopen jaren nog via aanvullende gelden van ouders en bedrijfsleven scholen voor evangelisch, gereformeerd en reformatorisch onderwijs geweest, maar deze scholen kampen nu ook met tekorten waardoor ze terug moeten vallen op volledige overheidsfinanciering.” – einde bericht

Stel dat bovenstaande bericht waar is. Stel dat we nu nog 10 jaar hebben om christelijk onderwijs vorm te geven: Wat moet er dan gebeuren?

De afgelopen weken is er een interessante discussie geweest over reformatorisch en christelijk onderwijs in het Reformatorisch Dagblad. Graag verwijs ik naar de artikelen. Toch kreeg ik de indruk, dat de discussie gevoerd werd vanuit een tamelijk luxe positie in de veronderstelling, dat we veilig zitten in de huidige situatie. Ik wil vanuit bovenstaande ‘sense of urgency’ een poging wagen aan te geven wat de komende jaren belangrijk is. Aanvullingen en verbeteringen zijn welkom!

1. Verbinding met God
Enige tijd geleden was ik bij een Reformatorische school op de Veluwe. De directie gaf aan, dat ze het van groot belang vond, dat leerlingen en docenten elkaar ontmoeten rondom Gods Woord. Bij zo’n ontmoeting ging het vooral ook om het delen van het persoonlijke geloofsverhaal met elkaar (Ps. 66:8 O.B.). Om dit te effectueren in de school werd het niet van bovenaf ‘geregeld’, maar was men in directieverband begonnen om (rondom) het Woord te delen met elkaar. Zo komt een beweging op gang waarin, in alle kwetsbaarheid en gebrokenheid, maar in onderlinge communicatie Gods Woord centraal staat. Daarbij worden zowel jonge docenten die opgegroeid zijn in de vanzelfsprekendheid van de zuil als ook oudere docenten die de beginstrijd van het eigen onderwijs soms dreigen te vergeten, weer terug geworpen op de wortels van het geloof. Dit is, wat ik zou willen noemen, het hart – de spirituele component.

2. Verbinding met elkaar
Een tweede component is de verbinding met elkaar als scholen. Een voordeel van onze netwerksamenleving is, dat er in allerlei verbanden kan worden samengewerkt. Je kunt vanuit je eigenheid, op basis van gelijkwaardigheid, samen werken. De overeenkomsten zijn vaak groter dan de verschillen. En daar waar er verschillen zijn, is het juist verrijkend voor alle betrokkenen om deze in te brengen in het gesprek. Reformatorische scholen kijken buiten de grenzen ook al geruime tijd breder dan de eigen traditie. Ook binnen Nederland zijn de overeenkomsten tussen Bijbelgetrouwe scholen groter dan de verschillen.  Elkaar dienen in verscheidenheid door bijvoorbeeld lesmateriaal of personeelsprotocollen gezamenlijk te ontwikkelen. Zo was ik blij verrast om op zowel een evangelische als reformatorische school de kwalitatief zeer goede gereformeerde godsdienstmethode uit Zwolle tegen te komen!

3. Verbinding met de samenleving
Toen in de voorbije decennia ANW en maatschappelijke stage werd ingevoerd, was er aanvankelijk scepsis binnen een aantal christelijke scholen. Wilde de overheid haar eigen agenda opdringen aan de school? Nu de overheid zich terugtrekt en deze zaken niet langer verplicht stelt, blijkt dat veel scholen juist deze vakken ingezet hebben om zich als christelijke school te profileren. In Rotterdam is er zelfs een hele beweging rond de maatschappelijke stage ontstaan. Christelijke leerlingen laten zien, dat ze er niet voor zichzelf zijn, maar ook voor de maatschappelijk minder bedeelden die in de schoolwijk wonen. De komende jaren zal de overheid waarschijnlijk inzetten op ‘vorming’, maar ook daar weten we als christenen wel raad mee! Laten we ons ook met vrijmoedigheid profileren als scholen die goed zijn voor de samenleving. Onze identiteit heeft een kwaliteit die de samenleving ten goede komt.

4. Verbinding met het vak en tussen de vakken
Ik noemde net al het vak ANW. Maar er zijn meer vakken. Ik vind dat iedere christelijke vakdocent het aan zijn stand verplicht is om na te denken over de verbinding tussen de christelijke identiteit en het eigen vakgebied. In ieder vak zit iets van Gods goede schepping, van de gebrokenheid van de zonde, maar ook het toekomstperspectief van de voleinding. Als wiskundigen dat doen voor de wiskunde en pedagogen voor de pedagogiek dan kunnen ze vervolgens elkaar weer ontmoeten om dit te delen.

Urgentiebesef om de kwaliteit van onze identiteit in te zetten is gewenst. Niet om ons, maar om Hem die het waard is ook door ons onderwijs aanbeden en verheerlijkt te worden.

Deel deze blog

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
Dit bericht is geplaatst in Leraar Godsdienst/Levensbesch. met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *