Vragen over herdopen

Auteur: Anoniem, hij of zij schreef deze blog n.a.v. zijn of haar afstudeeronderzoek: “vragen over herdopen”.

Wat als je als plaatselijke pioniersgemeente gewend bent dat je zowel kinderen als volwassenen doopt, en iemand komt met het verzoek om opnieuw gedoopt te worden? Hoe ga je met die vraag om? Ga je mee in dit verzoek, of merk je dat je toch wat terughoudend bent? Enerzijds wil je aan iemands wensen tegemoet komen en vind je het mooi dat iemand dit verlangen heeft. Anderzijds weet je ook dat dit thema soms een hoop stof doet opwaaien, en vraag je je af of dit wel zomaar kan. Want wat zegt de Bijbel hierover? En hoe gaan andere pioniersgemeenten om met dit onderwerp? En zijn er ook andere manieren om aan iemands wensen tegemoet te komen? Of hoe zal de achterban reageren wanneer je wél meegaat in dit verzoek?  

Zomaar een hoop vragen die kunnen spelen wanneer gemeenteleden een verzoek tot herdoop neerleggen. Voor veel kerkenraden en leiderschapsteams heeft dit thema al een hoop discussie opgeleverd en het ziet er niet naar uit dat deze discussie binnen afzienbare tijd wordt opgelost. De discussie over de doop is misschien wel zo oud als de kerk zelf. Ik heb daarom ook niet de illusie dat de discussie ten einde komt door middel van mijn afstudeeronderzoek. Wel meen ik te kunnen concluderen dat ik in ieder geval een aantal haalbare richtlijnen heb kunnen samenstellen voor het omgaan met deze vragen. En dat is hard nodig: naar alle verwachting zullen deze vragen alleen maar meer gaan spelen. Juist in een tijd als deze gaan kerkmuren steeds verder omlaag, met als resultaat dat kerken elkaar beïnvloeden en gemeenteleden soms meer worden beïnvloed door wat andere kerken leren over de doop.   
 
Binnen het onderzoek heb ik eerst een aantal vragen vanuit de literatuur beantwoord. Omdat de opdrachtgever gereformeerde wortels heeft, heb ik hoofdzakelijk vanuit deze invalshoek geschreven. In de literatuurstudie wordt er op de volgende vragen ingegaan: Wat zijn de bezwaren omtrent herdopen? Waar dient een geldige doop aan te voldoen? Wat zegt de Bijbel over dopen? Zijn er alternatieven voor een herdoop? Hoe gaan kerkenraden om met een herdoop van een gemeentelid en wat zijn de voordelen en nadelen van een duale praktijk van dopen? De informatie vanuit de literatuur bood een opstap om binnen interviews in gesprek te gaan met de mensen in het werkveld. Juist in pioniersgemeenten worden de vragen rondom dit onderwerp nog wat complexer door de gemixte achtergronden, visies en ervaringen van de gemeenteleden. In een zevental interviews is informatie verzameld over de werkwijze en de ervaringen van voorgangers die met hun voeten in de modder staan en die – soms met regelmaat – met dit soort vragen te maken krijgen. Op basis daarvan zijn een aantal argumenten, handvatten en praktische tips beschreven voor de opdrachtgever.  

Geïnteresseerd geraakt? Stuur een bericht naar theologiestudent@hotmail.com voor meer informatie.  

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Porno, de schuld en schaamte voorbij?!

Auteurs: Hans Dijkhuizen en Janneke Janssen n.a.v. hun afstudeeronderzoek ‘De schuld en schaamte voorbij?! – Porno onder christelijke studenten’


Porno. Een vies woord voor veel christenen. En toch wordt er porno gekeken. Tegelijkertijd is het een taboe onderwerp waar christenen weinig over spreken. Dat maakte ons nieuwsgierig naar dit thema om te ontdekken wat er gaande is op dit terrein. Wij kozen voor ons praktijkonderzoek de christelijke studenten als doelgroep. Zij zijn geboren rond 2000 en daardoor opgegroeid met internet. Porno is voor hen, via hun telefoon, letterlijk binnen handbereik. Maar, kijken ze dan ook naar porno?
Daar kunnen we eenvoudig over zijn: Ja, christelijke studenten kijken naar porno. Een waarheid die logisch lijkt, maar soms zo ongemakkelijk voelt. Uit ons praktijkonderzoek blijkt dat 44% van de ondervraagde studenten aangeeft porno te kijken. Zijn het vooral de mannen die kijken? Ja, maar ook door een aanzienlijk deel van de vrouwelijke studenten wordt er porno gekeken. 66% van de mannen tegenover 29% van de ondervraagde vrouwen kijkt naar porno. Verschil moet er zijn.
In onze samenleving krijgen we de boodschap mee dat porno geen probleem is. Beïnvloedt deze boodschap ook de christelijke studenten? Kijken zij porno, omdat het voor hen geen issue (meer) is? Het antwoord daarop is: Nee, voor de meesten vormt het wel degelijk een probleem. 72% van de christelijke studenten die porno kijkt geeft aan last te hebben van schuld en schaamte. Zij ervaren in sterke mate schuld en schaamte tegenover God en in mindere mate tegenover hun ouders en vrienden. Wellicht omdat God alles ziet en voor ouders en vrienden veel verborgen kan blijven?
Wat opviel in ons onderzoek is het grote contrast tussen de overtuigingen van de christelijke studenten en hun gedrag. Volgens de overtuigingen van deze studenten is porno verslavend en destructief voor je partnerrelatie. Daarnaast is de overtuiging dat je meewerkt aan een industrie waar vrouwen worden uitgebuit. Ook wordt het kijken naar porno afgekeurd, omdat het als zondig en duister wordt gezien. Wie naar porno kijkt komt in conflict met deze overtuigingen. Dit verklaart waarom er zoveel schuld en schaamte wordt ervaren. Schuld en schaamte gaat immers over tekort schieten. Wanneer je gedrag niet in overeenstemming is met je overtuigingen geeft dit wrijving. Je schiet tekort tegenover jezelf, maar ook tegenover God waarvan je denkt dat Hij jouw gedrag graag anders ziet.
Wat hebben de christelijke studenten nodig die worstelen met schuld en schaamte vanwege het kijken naar porno? Brené Brown zegt dat schaamte ontstaat tussen mensen en ook verdwijnt tussen mensen. Ons onderzoek laat echter zien dat er weinig over het kijken naar porno wordt gesproken. Zo worden de gevoelens in stand gehouden. Met elkaar het gesprek aangaan is dan ook enorm helpend en bevrijdend. Met dit onderzoek doen wij een aanzet tot dit gesprek. We hopen dat andere christenen samen met ons de uitdaging aangaan om openheid te creëren over een thema waar velen van ons zich mee bezig houden. Neem jij het stokje van ons over?
Hans Dijkhuizen, maatschappelijk werker en hbo-theoloog Janneke Janssen, psycholoog en hbo-theoloog
Wil je meer weten over ons onderzoek? Neem dan contact op via LinkedIn: www.linkedin.com/in/janneke-janssen-0872b798

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Game over! Als liefde (in je studententijd) je hart breekt

Auteurs: Irith Vrijmoeth & Marjon Furster n.a.v. het afstudeeronderzoek in opdracht van Nico van der Voet. Hierin hebben we gekeken naar de behoeften van studenten met liefdesverdriet en hoe het (studenten)pastoraat/mentoraat hierin ondersteuning kan bieden. 

Liefdesverdriet u kent de term wel, het ‘old school’ liefdesverdriet, die ene crush, een fling, dat blauwtje, die scharrel van toen, die ene relatie van 2 jaar of een paar maanden. 

Ten tijde van het einde middelbare school en begin van de studietijd gaat het bij veel jongeren wat kriebelen, een vriend of vriendin is wel leuk. Samen verder, een toekomst tegemoet of toch niet? En ja, dat hoort er ook allemaal bij, niets mis mee! Iemand zei ooit eens: “De CHE is net een liefdesnest”. Zo gek is dat niet, want in je studententijd kom je met van alles (soms ook voor het eerst) in aanraking. Zo kan het ook zijn met je eerste echte relatie of verliefdheid, super spannend en leuk natuurlijk! 

Maar wat al deze liefde en gevoelens niet worden beantwoord, of dat de ander het toch ineens niet meer ziet zitten met jou?! Dan kan het zijn dat je wereld instort en sta je er ineens weer alleen voor, weg toekomst samen, wat nu? 

Deze tijd, nadat de wegen uit elkaar gaan, kan worden ervaren als een tijd van crisis. Alles staat weer op losse schroeven: 

  • je zelfbeeld 
  • je godsbeeld 
  • je geloof (en overtuigingen) 
  • je zelfvertrouwen 
  • relaties (vriendschappen, familie) 
  • je toekomst (perspectief) 

In ons onderzoek zijn we wat meer in gaan zoomen op het effect op het zelfbeeld en godsbeeld. Waar ook identiteitsvragen steeds (opnieuw) naar boven komen, maar ook geloofsvragen kunnen getriggerd worden, zo verwoordde iemand: 
“Ik heb ook wel uitgeschreeuwd naar boven: waarom? Ik, ik snap hier helemaal niks van!” 

Hoe er met die identiteits- en geloofsvragen wordt omgegaan, wordt ook wel (religieuze) coping genoemd. Belangrijk dus om bewust te zijn van welke vragen er spelen en hoe daar mee omgegaan wordt. Het kan dan het erg helpend zijn als je hier met iemand over kan praten. Al kan dit best wel een grote stap zijn, liefdesverdriet is in eerste instantie als iets alledaags en lijkt daarmee niet ‘erg’ genoeg is om ondersteuning voor te zoeken. Toch zien wij, in ons onderzoek, dat het erg helpend is om met een buitenstaander van de situatie (bijv. de studentenpastor) te praten over dit, toch wel ingewikkelde proces waar veel bij komt kijken. . 

Een turbulente tijd, waar naar ons zeggen te weinig onderzoek naar is gedaan. Als je rond zou vragen onder studenten zal het overgrote deel je vertellen hier wel eens mee te maken hebben gehad, zo ook wijzelf. Met deze actualiteit in ons achterhoofd en de weinige kennis en onderzoek naar deze crisistijd was voor ons de motivatie om hier eens onderzoek naar te doen. 

Liefdesverdriet blijft een interessant onderwerp waar iedereen wel een verhaal bij heeft, en ieder zijn eigen weg gaat. We kwamen erachter dat er overeenkomende behoeften zijn die helpen om verder te gaan. Na het afronden van het onderzoek hebben we een mini serie gemaakt van een aantal podcasts, over het thema liefdesverdriet. Waarin we hopen bij te dragen aan het stukje bespreekbaar maken van dit thema en ook een stukje herkenning en erkenning te geven en zo een stukje schaamte (taboe) te doorbreken wat er toch altijd een beetje is in de praktijk. 

 Meer weten? Luister onze podcast op https://soundcloud.com/user-465106276/sets/game-over-podcastserie-over-liefdesverdriet Nog meer vragen of opmerkingen? Mailen kan naar marjonf@gmail.com 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De geloofwaardigheid van een bekeringsverhaal

Auteur: Daan Damsteeg n.a.v. zijn afstudeeronderzoek “De geloofwaardigheid van een Daan Damsteegbekeringsverhaal”

De afgelopen maanden hebben ik mij verdiept in het thema ‘bekering van niet-westerse migranten’. Binnen een niet nader te noemen pioniersplek was de noodzaak ontstaan om bekeringsverhalen van niet-westerse migranten te kunnen beoordelen en zo het vertrouwen in de hechte gemeenschap te behouden. Ik kwam erachter dat het thema bekering een ongelooflijk complex thema en tegelijkertijd een enorm verassend thema is. Want is een bekering wel te beoordelen? Tenslotte kan een mens niet naar het hart van een ander mens kijken, maar alleen God de Vader, de Schepper van alle dingen, kan een mens in het hart kijken. Toch ben ik samen met de pioniersplek, de Christelijke Hogeschool Ede en verschillende experts en ervaringsdeskundigen de uitdaging aangegaan om de volgende hoofdvraag te beantwoorden:

‘Welke afwegingen moeten er door de stuurgroep gemaakt worden om de bekeringsverhalen van niet-westerse migranten op waarde te kunnen beoordelen?’

De onderzoeksvraag is vanuit vele aspecten onderzocht. Naast een theologisch perspectief zijn het godsdienstsociologisch, antropologisch, godsdienstpsychologisch perspectief en de ervaring van andere organisaties onderzocht. Per aspect werd er vervolgens een conclusie geformuleerd in de vorm van afwegingen (zie hoofdvraag). Deze afwegingen waren gebaseerd op specifieke onderzoeksmethoden, modellen en vooronderstellingen per aspect. Als eindconclusie wordt een overkoepelend perspectief gepresenteerd, waar zowel aan de ervaring van andere organisaties en de theologische, godsdienstsociologische, godsdienstpsychologische en antropologische aspecten recht wordt gedaan. Dit perspectief komt uit op een multidisciplinair antwoord dat rekening houdt met de verschillende achtergronden en afwegingen die een rol spelen bij het beoordelen van een bekeringsverhaal van niet-westerse migranten.  Voor het overkoepelend perspectief is gebruik gemaakt van het bekeringsmodel dat ontworpen is door prof. dr. J.W. van Saane. Het model is opgedeeld in een onderdeel dat gericht is op de interne consistentie (samenhang van antwoorden) en de externe consistentie (kenmerken van de religieuze groepering), waardoor ieder aspect en de daaruit voortvloeiende afwegingen tot zijn recht komt. Daar waar het nodig is worden er afwegingen vanuit de conclusies toegevoegd om het model toepasbaarder te maken voor de pioniersplek. Daarnaast is er sprake van een heldere fasering van afwegingen, waardoor er een helder beleid kan ontstaan voor de desbetreffende organisatie.

Om de interne consistentie van het bekeringsverhaal te kunnen vaststellen worden de volgende afwegingen achtereenvolgens beantwoord:

  • Gaat het om een actieve of een passieve bekering?
  • Zijn de juiste kenmerken van een actieve dan wel passieve bekering aanwezig?
  • Waarom voldeed het oude zingevingssysteem niet meer?
  • Zijn de kenmerken van vertrek in voldoende overeenstemming met het geconstateerde type defection?
  • Past de motivatie voor de bekering bij de manier waarop de bekering zich uit?
  • Doet de bekering zich voor op de drie niveaus van menselijk functioneren (affectief, cognitief en gedragsmatig) en past de mogelijke spreiding hierin bij het type bekering en de motivatie voor de bekering?
  • Sluit de ‘bekering’ aan op één van de drie aspecten van ‘de vernieuwing van de mens’?
  • Heeft de bekeerling een doopcursus gevolgd en intensief met een mentor uit de stuurgroep van de pioniersplek opgetrokken?

Om de externe consistentie van het bekeringsverhaal te kunnen vaststellen worden er eveneens een aantal afwegingen gemaakt:

  • Passen de uitingen van de bekering bij de kenmerken van de specifieke groep waarbij de bekeerling zich heeft aangesloten?
  • Op welke wijze heeft de bekeerling geparticipeerd in de oude religie, en welke eventuele veranderingen zijn dan waarneembaar?
  • In welke mate heeft de bekeerling geparticipeerd in de gemeente?
  • In welke mate heeft de bekeerling relaties opgebouwd binnen de gemeenschap?

Het wegen van de samenhangende afwegingen krijgt een plaats in het bestaande proces van bekering binnen de organisatie. Dat is noodzakelijk om consequent, zonder aanziens des persoons, het toekomstig traject te bepalen.

Bovenstaande afwegingen kunnen de lezers van het rapport een gevoel geven dat bekering maakbaar is. Echter vanuit het theologische aspect blijkt dat alleen het offer van Jezus Christus de mens rechtvaardigt. Alleen het offer van Jezus Christus stelt de mens in staat om bekeerd te worden en de weg van God te gaan. Zonder dat offer is iedere verandering van sociale context, cultuur of gedrag nutteloos. Uiteraard hebben christenen, als navolgers van Christus, de verantwoording gekregen om mensen bij het heil te betrekken. Maar juist de kern van bekering, de rechtvaardiging of de besnijdenis van het hart, ziet alleen God aan. Dit aspect is niet te toetsen door mensen.   Daarom stelt dit rapport ook dat de conclusies en aanbevelingen uit het toegepaste bekeringsmodel van J.W. van Saanen in het licht van Christus gezien moet worden. Om het vertrouwen binnen de pioniersplek te behouden is er een toetsingsmodel nodig, maar om een bekering te faciliteren moet men zich voornamelijk bezig houden met het betrekken van mensen op het Evangelie. Een biddende en gastvrije houding is hierbij noodzakelijk.

Mocht er dan ook een negatief advies uit het toetsingsmodel naar voren komen, dan is het noodzakelijk dat de gemeente een alternatief aan kan bieden dat rekening houdt met de gastvrijheid die het als gemeente van Christus moet kunnen bieden.

‘Bekering is geen mensenwerk
Dat laat ik over aan God’

D. Menkens – van de Spiegel

Deze tekst, ingegeven door de beoordelingscommissie van het Projectplan, heeft mij gedurende het onderzoek aangemoedigd en focus gegeven. Wij kunnen bekeringen willen beoordelen, waardoor het bijna een negatieve lading zal krijgen. Gelukkig is bekering dan ook geen mensenwerk, maar een prachtig werk van God.
Ik hoop dat de desbetreffende pioniersplek, en wellicht andere organisaties die daarmee worstelen, door dit onderzoeksrapport op een verantwoorde wijze de bekeringsverhalen van niet-westerse migranten kan beoordelen, zonder het bewegen van God daarin kwijt te raken.

Mocht u meer willen weten over dit onderzoek? Stuur dan een mailtje naar daan.ipc@hotmail.nl

Daan Damsteeg

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

De doop als teken van eenheid

Auteur: Nathan Noorland n.a.v. zijn afstudeeronderzoek “De doop als teken van eenheid” Nathan Noorland

 

Zaterdag 29 mei 2012 was historische dag in de Nederlandse kerkgeschiedenis. Kerkleiders uit negen kerkgenootschappen tekenden in Heiloo een document van wederzijdse dooperkenning. Het vond daarnaast ook op een historische plek plaats. In Heiloo zou de missionaris Willibrord (658 – 739) namelijk nog gedoopt hebben. Willibrord leefde in een tijd waarin er nog vrijwel geen kerkscheuringen plaats hadden gevonden. Er was nog geen Oosters-Orthodoxe Kerk, geen Rooms-Katholieke Kerk, er waren geen protestantse kerken en ook geen evangelische groeperingen. Er was één kerk, met één doop en één eucharistische tafel. 

Door de eeuwen heen is er heel wat veranderd in die eenheid. In Nederland vind je op dit moment een keur aan kerken en groeperingen die zich allemaal christelijk noemen. En het is zeker niet vanzelfsprekend dat men aan één eucharistische tafel zit. De eenheid is in veel gevallen ver te zoeken.  Op 29 mei 2012 zette een aantal kerken in Nederland, ondanks de culturele en theologische verschillen, daarom de stap om elkaars doop te erkennen. Want als je elkaars doop erkend, dan erken je elkaar in ieder geval als één van Christus. Heeft Jezus zelf niet gezegd: ‘Vader, ik bid opdat zij allen één zijn …. opdat de wereld zal geloven dat U mij gezonden hebt?’ (Johannes 17: 20 – 21)

In de gesprekken voorafgaand aan het tekenen van het document waren ook kerkleiders uit de Oosters-Orthodoxe Kerk in Nederland aanwezig. Zij hebben het document echter niet getekend. Zien zij de ander dan niet als ván Christus? En moet de doop over, als iemand uit een andere kerk toetreedt tot de Oosters-Orthodoxe Kerk?

Namens de Katholieke Vereniging voor Oecumene, een vereniging die namens de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland bezig is met eenheid, heb ik onderzoek gedaan naar de doop binnen de Oosters-Orthodoxe Kerk. Hoe verhoudt hun doopvisie zich tot de rooms-katholieke en moet de doop over als een katholiek of protestant wil toetreden tot de Oosters-Orthodoxe Kerk?

Na verschillende gesprekken met Nederlandse orthodoxe priesters ben ik tot de conclusie gekomen dat:

  1. De doop van iemand uit de gevestigde kerken, die heeft plaats gevonden in de naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest nooit over hoeft in de Oosters-Orthodoxe Kerk. Orthodoxen hebben echter geen cultuur van het tekenen van documenten. Dat is een typisch westers fenomeen. Daarom is dit document ook niet ondertekend.
    Doop
  2. Er grote verschillen bestaan in de dooppraktijk tussen oosters-orthodoxen enerzijds en rooms-katholieken anderzijds. Bij oosters-orthodoxen wordt er vrijwel altijd gedoopt door onderdompeling, bij rooms-katholieken door begieting. Bij orthodoxen is de doop een bevrijding van de dopeling uit de machten van het kwaad, en een binnenbrengen in de Kerk (soteriologie van Christus Victor). Bij rooms-katholieken is de doop vooral een afwassing van de erfzonde en een binnenbrengen in de Kerk (satisfactieleer). Daarnaast beleeft men de Heilige Geest in beide tradities op een verschillende manier.
  3. Iemand die als gedoopte toetreedt tot de Oosters-Orthodoxe Kerk zal altijd gevormd worden. Het vormsel, of de Heilige Myronzalving, is het teken van de Heilige Geest. Oosters-orthodoxen geloven dat de Heilige Geest het meest volledig in de Oosters-Orthodoxe Kerk werkt. Verrassend is dat er binnen de Kerk van Rusland (onderdeel van de Oosters-Orthodoxe Kerk) een uitzondering wordt gemaakt voor rooms-katholieken; daar worden zij als gevormde leden opgenomen in de Oosters-Orthodoxe Kerk. Soms is er meer mogelijk dan verwacht.

Eén kerk in Nederland, met één doop en één Tafel, als in de dagen van Willibrord is nog een lange weg. Maar ik hoop dat mijn onderzoek er aan heeft bijgedragen dat wij de andere volgeling van Christus beter leren kennen en dat de dagen van Willibrord weer iets dichter bij zijn gekomen.

Wil je meer weten over mijn onderzoek? Stuur een mailtje naar nathan.noorland@hotmail.com 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Is goede omgang met elkaar genoeg om een school christelijk te noemen?

Auteur: Sjoerd Peters n.a.v. zijn afstudeeronderzoek.  

“Zijn christelijke en islamitische scholen nog van deze tijd?”, kopte NOS 28 september Sjoerd Peters2019. Al een aantal jaar ligt artikel 23 – dat ondertussen meer dan honderd jaar in de Nederlandse wet staat – onder vuur. Socialisten vinden bijzonder onderwijs tot ongelijkheid leiden, liberalen zijn van mening dat de neutraliteit van onderwijs wordt vervuild door inmenging van religie. Dan kan ook nog gewezen worden op schandalen op islamitische scholen, waardoor bijzonder onderwijs geframed kon worden als subsidiëring van polarisatie en radicalisering; nieuwsfeiten waar partijen als de PVV gretig gebruik van maken.

Zonder nu verder in te gaan op het verworven bestaansrecht van bijzonder onderwijs, is het wel een goede vraag of dat wat bijzonder onderwijs is en wil bieden, nog overkomt bij leerlingen. Zo volgen anno 2019 nog steeds ruim de helft van alle kinderen in Nederland onderwijs op een christelijke school. Ongeveer 20% van alle leerlingen binnen het V.O. gaat naar een protestants-christelijke school. Toch worden nog maar weinig leerlingen op deze scholen opgevoed met een christelijk geloof. Dit roept de vraag op in hoeverre er een kloof bestaat tussen de formele schoolidentiteit op protestants-christelijke scholen en de manier waarom leerlingen deze schoolidentiteit in de praktijk ervaren.

Aan de hand van deze vraag deed ik onderzoek op twee protestants-christelijke scholen in Den Haag, waarbij een kleine vijfhonderd leerlingen een vragenlijst hebben ingevuld met betrekking tot schoolidentiteit. Samengevat blijkt dat leerlingen weinig aansluiting hebben met de religieus-liturgische kant van de schoolidentiteit, maar dat zij zijn positief over hoe op school met elkaar geleefd wordt. Leerlingen waarderen het om met elkaar te leren samenleven in openheid, wederzijds begrip en respect. Dit geldt voor een groot deel van de leerlingen, waarbij culturele en levensbeschouwelijke achtergronden geen significante rol blijken te spelen.

Nu moet er onderscheid gemaakt worden tussen waarden die maatschappelijk gedragen zijn, zoals verantwoordelijkheid en tolerantie, en waarden die de christelijke traditie onderscheiden van seculiere waarden, zoals vergeving, naastenliefde en bezinning. Uit interviews met schoolleiding kwam naar voren dat die expliciet christelijke waarden op bepaalde momenten naar voren komen, zoals bij een leerling in een specifieke situatie, of bij vieringen en dagopeningen.

Echter, op gebied van vieringen en dagopeningen zijn leerlingen behoorlijk kritisch. Zij zien wel in dat dergelijke zaken bij een christelijke school horen, maar ze vinden het weinig interessant, het spreekt hun belevingswereld niet goed aan en ze voelen zich weinig betrokken bij de inhoud. Leerlingen hebben het gevoel dat er iets van vroeger van stal gehaald wordt, waar zij even respectvol naar moeten luisteren. Van dagopeningen blijkt zelfs dat 80% van de leerlingen aangeeft dat ze niet of bijna niet gegeven worden door docenten. Schijnbaar is daar ook iets van schroom te bespeuren…

Hier ligt een opdracht voor christelijke scholen die de waarde van hun traditie willen laten blijken. Laat leerlingen niet langer voorbijgangers zijn bij een christelijke etalage, maar betrek ze bij het gesprek over de waarde van traditie. Ruim in lessen godsdienst of levensbeschouwing tijd in om met leerlingen te brainstormen over een thema voor een viering en nodig hen uit om een viering op te zetten. Verzamel input van leerlingen voor dagopeningen of laat hen initiator zijn. Op deze manier blijft de uitwerking van de christelijke traditie niet voorbehouden aan volwassenen in vergaderkamers, maar, kan de traditie “ontstold worden” en ontstaat er ruimte voor het waaien van Gods Geest over dorre beenderen.

Meer informatie over dit onderzoek? U kunt mailen naar sjoerdpeters1988@icloud.com

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Mag ik van u een enkeltje naar de hemel alstublieft?

Auteur: Gaby Dijkhuizen n.a.v. zijn afstudeeronderzoek “Ziekenzalving: Sacrament of ritueel?” Onderzoek naar oplossingen met betrekking tot vragen over toedienen van het sacrament van de ziekenzalving indien geen priester voorhanden is. Gaby

“ De laatste sacramenten zijn des priesters! …” was het antwoord dat ik kreeg van mijn katholieke collega’s toen ik als protestants geestelijk verzorger vroeg, hoe er werd omgegaan met de ziekenzalving. “Huh?!, de ziekenzalving een sacrament?” Mij is geleerd dat de ziekenzalving een soort van ritueel is juist om de zieke op te richten! “Hierin heb ik toch een belangrijke rol? Wat nu als ik geen priester kan vinden? Moet ik dan de bewoner maar laten zitten?” Allemaal vragen die in mij opkomen en ik moet tot de conclusie komen  dat mijn beeld van ziekenzalving niet helemaal overeen komt met het beeld dat mijn collega’s hebben bij de ziekenzalving. 

“Het bediend worden” zoals men hier in de volksmond het sacrament van de ziekenzalving noemt staat bekend als één van de laatste sacramenten (samen met de laatste biecht en de laatste communie). Daardoor wordt dit sacrament gezien als sacrament bedoeld voor mensen die in stervensgevaar zijn. Dit is niet terecht ( besloten op het tweede Vaticaanse concilie), maar in de praktijk kunnen we er niet om heen dat men het nog altijd zo uitvoert. 

De laatste biecht en met name de priester, krijgen hier een belangrijke rol. Immers de zieke in stervensgevaar krijgt de mogelijkheid zijn/haar zonden te belijden en zo als het ware alle obstakels naar het hiernamaals uit de weg te ruimen. Volgens de Rooms-katholieke leer is namelijk de priester gevolmachtigd om namens Christus de zonden te vergeven en wordt de weg naar de hemel als het ware geplaveid. 

Het blijkt dat ik in de praktijk bij het bedienen van de laatste sacramenten niet om de priester heen kan. Als er iemand vraagt om bediend te worden schakel ik gewoon de priester in en gelukkig vind ik over het algemeen een priester bereid om te bedienen. Gelukkig hangt mijn zijn als geestelijk verzorger niet af van de sacramenten en heb ik het voorrecht samen met de ander op pad te gaan. Met heel mijn doen en laten mag ik betrokken zijn op de weg van de ander. Met passie “er voor de ander zijn” tot het einde. Ook al houdt dat in dat ik het laatste sacrament niet verzorg. 

  

Gaby Dijkhuizen 

 

Mocht u naar aanleiding van deze blog opmerkingen en/of vragen hebben,  u mag mij rustig mailen: g.g.dijkhuizen@ziggo.nl 

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vijf sleutels voor succesvolle samenwerking

Auteur: Symon Jagersma n.a.v. zijn afstudeeronderzoek  “Samenwerken in een mozaïek van kerkplekken”   in opdracht van de Protestantse Kerk in Nederland. Symon Jagersma

In het PKN onderzoek1 “Over speelruimte en spanning” werd het  samenwerkingsklimaat in de relatie tussen bestaande en nieuwe  kerkplekken als een belangrijk aandachtspunt benoemd. Deze vervolg-  studie, waarbij ook nauw is samengewerkt met het lectoraat2 aan de  Christelijke Hogeschool Ede, heeft de belangrijkste succes- en faalfactoren  weten samen te vatten in vijf condities vanuit de visie3 dat:

“Een samenwerking is kansrijk als mensen en organisaties zich met elkaar weten te verbinden in een betekenisgevend proces dat recht doet aan de belangen en gericht is op een betekenisvolle ambitie. Het is de grote opgave om daarvoor de juiste condities te scheppen.”

1.Werk aan een gedeelde ambitie
Waar ga je met elkaar voor? Het met regelmaat elkaar deze vraag stellen helpt bij het vinden van een gedeelde ambitie en geeft een inspirerend perspectief, heeft een mobiliserend effect (zeker als het even moeilijk wordt) en zorgt voor synergie en daadkracht. Daarbij is het belangrijk open en eerlijk met elkaar te delen wat je uit de samenwerking wilt halen maar ook wat je te bieden hebt. Je zult ontdekken dat je hierdoor van spraakverwarring tot een gemeenschappelijk beeld komt. Dit kan het vastlopen in discussies over identiteit voorkomen.

2.Doe recht aan belangen
Vaak kan een samenwerking vastlopen op allerlei standpunten. Het is dan belangrijk om oog te krijgen voor de belangen die daar onder liggen. In een samenwerking zijn er verschillende soorten belangen: individuele, collectieve en organisatiebelangen. Loyaliteitsconflicten bij gemeenteleden die zowel met de pioniersplek als de bestaande gemeente verbonden zijn, komen vaak voor. Ook angst voor ‘concurrentie’ speelt vaak een rol: ‘als we maar geen gemeenteleden kwijtraken’. Het benoemen van ieders belangen vanuit een oprechte interesse kan juist een win-win situatie opleveren. Echte dialoog is dan het toverwoord.

3.Zorg voor goede relaties
Samenwerken is mensenwerk waarbij het balanceren is tussen waakzaamheid en vertrouwen in de relatie met anderen. Omdat iedereen in een samenwerkingsverband zichzelf meeneemt, met zijn eigen kwaliteiten, ervaringen, veronderstellingen en beelden van de werkelijkheid, is er ook sprake van diversiteit. Om te voorkomen dat de samenwerking los zand wordt, is verbindend leiderschap nodig. Samenwerken vergt de moed om een deel van je eigen autonomie op te geven in het vertrouwen dat dit voor jezelf meer waarde oplevert.

4.Organiseer effectief
Bij een effectieve organisatie van de samenwerking zijn de structuur en besturing afgestemd op de doelen van de partners. Niet alleen de rationele (en financiële) kant speelt daarbij een rol, maar ook het emotionele proces waarin je gezamenlijk tot goede doordachte keuzes komt die werken. Draagvlak en daadkracht zijn daarbij een belangrijk bindmiddelen. Het maken van heldere afspraken en ze ook nakomen zorgt voor groei in betrokkenheid van iedereen.

5.Zorg voor een betekenisvormend proces
Waar staan we in de samenwerking? Welke activiteiten gaan we ondernemen? Een samenhangende kijk op ambities, belangen, relaties en organisatie is dan van groot belang. Na het verkennen en delen, kan je zaken overeenkomen en vormgeven om tot een uitvoering en vernieuwing te komen. Deze stappen geven structuur en richting aan de pioniersreis. Ook een heldere rolverdeling met een duidelijke procesregie is een belangrijke succesfactor. Soms kan je dat zelf als partners, vaak helpt een onafhankelijke buitenstaander daarbij als begeleider, waarbij het goed is te bedenken dat samenwerking geen doel is, maar een middel.  vijf sleutels

 

Deze vijf sleutels zijn van toepassing voor de samenwerking  in het mozaïek van kerkplekken, maar gelden ook voor  andere samenwerkingen dan tussen pioniersplekken en   bestaande kerkplekken.   Samenwerking is immers overal belangrijk, ook binnen   (kerk)teams.     Wil je meer hierover weten of eens een workshop   organiseren over samenwerken?   Voel je vrij contact met me op te nemen.   Ik werk graag met je samen.

Symon Jagersma  HBO-Theologie (GPW) Christelijke Hogeschool Ede (CHE) & zelfstandig trainer en coach  symon.jagersma@carewhy.nl

Literatuur:

  1. Protestantse Kerk. (2018). Over speelruimte en spanning, praktijkonderzoek naar de relatie tussen bestaande en nieuwe kerkplekken.Utrecht: PKN.
  2. Stoppels, S. (21 juni 2019). Heil zien in missionaire initiatieven – Een zoektocht naar de theologie achter nieuwe vormen van geloofsgemeenschap.Ede: CHE.
  3. Kaats, E., & Opheij, W. (2012). Leren samenwerken tussen organisaties.Deventer: Kluwer.
Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

In hoeverre wordt een hermeneutische verbinding ervaren door de betrokkenen in casus x en hoe waarderen de christelijke kunstenaars en/of practitioners de verbinding die in deze casus wordt gemaakt?

Auteur: Irene Ghaedi – van Amersfoort n.a.v. haar afstudeeronderzoek: In hoeverre wordt een hermeneutische verbinding ervaren door de betrokkenen in casus x en hoe waarderen de christelijke kunstenaars en/of practitioners de verbinding die in deze casus wordt gemaakt?  Irene van Amersfoort

Zijn er tools om een hermeneutische verbinding te maken?

Herken je dat? De momenten dat je een verhaal uit de Bijbel relevant wil maken voor je doelgroep. Maar je wilt natuurlijk ook recht doen aan de tekst.
Op school tijdens de lessen hermeneutiek ging het nog wel. Maar nu moet je het alleen doen. Geen docenten die je een handige hermeneutische sleutel aanreiken. Ik herken het wel. En met ons nog vele andere kerkelijk werkers. Hoe komt het toch dat er zoveel verlegenheid is rondom de hermeneutische competentie en zijn er bepaalde tools die we kunnen gebruiken?

De hermeneutische competentie 
De hermeneutische competentie is een van de zeven competenties die we ons eigen maken tijdens de opleiding theologie van de Christelijke Hogeschool Ede. De hermeneutische competentie kent de volgende definitie:

Het vermogen om enerzijds de bronnen van een specifieke religieuze gemeenschap en/of organisatie en/of de eigen spiritualiteit en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te verhelderen en te verbinden en op basis daarvan passend te handelen. 

In deze competentie lezen we dat de hbo-theoloog in staat moet zijn om zowel de traditionele bronnen, de kerk of organisatie die hij/zij vertegenwoordigd, als de mens in de hedendaagse samenleving kan vertolken en zinvol aan elkaar verbinden. Het is belangrijk dat de hbo-theoloog op de hoogte is en blijft van de hedendaagse cultuur en maatschappelijke processen. De hbo-theoloog heeft het vermogen om deze processen, wanneer zinvol en nodig, te duiden vanuit de traditionele bronnen. Kortom het vraagt nogal wat van de kerkelijk werker om een goede verbinding te kunnen maken.

De tools 
Tijdens mijn afstudeeronderzoek mocht ik onderzoeken op welke manier een kerkelijk werker haar verbindingen maakt. Ook heb ik onderzocht in hoeverre haar doelgroep ook daadwerkelijk een verbinding ervoer. Daarnaast heb ik kunstenaars met een christelijke achtergrond geïnterviewd op welke manier zij verbinden met de hedendaagse cultuur en samenleving. Uit deze onderzoeken zijn een aantal tools ontstaan die je op weg kunnen helpen om een goed verbinding te maken. Ik zal ze kort toelichten.

  • Doelgroep: Het is ontzettend belangrijk om je doelgroep te kennen. Wat is hun referentiekader? Wat leeft er binnen de doelgroep? Wanneer je hier antwoord op kunt geven kan je goed aansluiten bij je doelgroep.
  • Ken je traditie en religieuze bronnen: Wanneer je op de hoogte bent van je eigen traditie en religieuze bronnen kan je dit gebruiken om een goede verbinding te maken.
  • Wees je bewust van afstand en nabijheid: Een goede verbinding zorgt ervoor dat mensen hun levensverhaal kunnen koppelen aan het Bijbelverhaal. Daarvoor is nabijheid en ruimte nodig. Tegelijkertijd ook afstand om vanaf een afstand naar het eigen leven te kijken en mogelijk nieuwe perspectieven te krijgen.
  • Ken de hedendaagse cultuur en maatschappelijke processen: Wij zijn allemaal onderdeel van de hedendaagse cultuur. Het is belangrijk om de cultuur te leren lezen en hier theologisch op reflecteren. Wanneer je dat leert ga je overal aanknopingspunten zien om een hermeneutische verbinding te maken.
  • Ervaren en beleven: Door de mensen iets te laten zien, ervaren of horen wordt een reactie opgewekt dat nieuwe perspectieven geeft.
  • Ga methodisch te werk: schrijf bijvoorbeeld een beleidsplan met theologische grondslag.  Op die manier heb je een basis en een bepaald doel waar je naartoe wilt werken.

    Wil je meer weten? Mail naar: irenevanamersfoort@hotmail.com

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen

Thank you for the music

Auteur: Albert Jan Lourens n.a.v. zijn afstudeerproject ” Thank you for the music – Over de Albert-Jan Lourensrol van muziek in de levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van brugklasleerlingen”. 

Vooraf: In de afgelopen maanden heb ik mij beziggehouden met het thema muziek in relatie tot de levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van jongeren. Maaike Graafland van Het Streek gaf aan dat de godsdienstsectie onvoldoende zicht had op de rol van muziek in het leven en de levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van haar brugklasleerlingen. Het gevolg hiervan was dat zij hun gewenste muziekonderwijs, bij het vak godsdienst, onvoldoende konden laten aansluiten bij de belevingswereld van de brugklasleerlingen. Deze constatering was het uitgangspunt voor mijn bachelorscriptie.
 

Mijn persoonlijke interesse in muziek is erg groot en om deze reden sprak het thema mij gelijk aan. Ik kwam erachter dat verschillende onderzoekers aangeven dat jongeren tegenwoordig, door de versplintering van religieuze instituten, moeite hebben bij het vinden van een eigen ‘geestelijke samenhang’. Om deze reden zoeken zij naar ‘rolmodellen’ in populaire cultuur. Muziek kan daarmee een belangrijke functie hebben in het verkennen van de ‘wereld’ en hiermee bijdragen aan de ‘exploratie’ van leerlingen. Echter, de boodschappen in liedteksten kunnen in strijd zijn met de informatie die leerlingen krijgen van hun (andere) opvoeders. Wanneer leerlingen niet tot een eigen levensbeschouwelijke identiteit komen, kan dit een gevoel van onveiligheid en onzekerheid als gevolg hebben. Binnen deze zoektocht raden verschillende wetenschappers aan om jongeren hierin te begeleiden, bijvoorbeeld in de vorm van ‘reflectieve exploratie’. 

 

Uit mijn onderzoek blijkt dat deze groep leerlingen voornamelijk naar muziek luisteren voor ontspanning, afleiding en om hun gemoedstoestand te reguleren. De leerlingen geven over het algemeen aan weinig van muziek te leren over het levensbeschouwelijke thema’s. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de rol van muziek in de levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van havo/vwo-brugklasleerlingen van Het Streek niet erg groot is. Aangezien het hier gaat om hun persoonlijke mening, is een vervolgexperiment aan te raden. Dit zou bijvoorbeeld goed kunnen passen in een opdracht rondom de muziekkeuze van de leerlingen. 

Daarbij is vormingsgericht onderwijs, bijvoorbeeld in de vorm van ‘reflectieve exploratie’ bij het vak godsdienst, op basis van de literatuurstudie en de mogelijke gevolgen nog steeds erg aan te raden. Uit de theorie van Fowler blijkt namelijk dat jongeren over het algemeen op een latere leeftijd meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen levensbeschouwing. Om deze reden zou het in mijn ogen erg interessant zijn om dezelfde vragenlijst bij de bovenbouw leerlingen af te nemen. Mogelijk past het voorgestelde vormingsgerichte onderwijs, op basis van de literatuurstudie en mijn onderzoek, daarmee ook beter thuis binnen de bovenbouwlessen.  

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , | Een reactie plaatsen