Lieve mensen slikken alles

Auteur: drs. N.C. van der Voet, opleidingsdocent Theologie Ede

Eetgedragingen van mensen zijn boeiend om te observeren. Er zijn bijvoorbeeld mensen met zwart-wit standpunten over het eten en bijpassende eetgewoonten.  Ze eten nooit dropjes of rozijnen. Ze eten altijd pindakaas van één merk. Ze eten altijd om klokslag half zes. Ze eten op álle zaterdagen patat met een loempia. Bij dit eetpatroon horen uitgesproken voorkeuren: dit lust ik wel en dat lust ik niet. Als u eenmaal de gewoontes van deze mensen kent, hebt u het gemakkelijk. U hoeft zich alleen maar aan hun wensen aan te passen en u zult de vrede bewaren. Wijkt u ervan af, dan kunt u een grote mond krijgen. Er zijn ook mensen die nooit moeilijk doen over wat ze eten. Ze letten niet op merken. Ze twisten niet over smaken. Vaste eetgewoontes hebben ze nauwelijks. Ze eten zonder mopperen wat de pot schaft. Meestal vinden ze het nog lekker ook. En als het wat minder lekker is en de kok zich verontschuldigt, zeggen ze: ‘Het valt wel mee hoor, het smaakt nog best!’.

Hoe kan dat nou, dat de ene mens zo stellig is in wat hij lust of niet lust en de andere mens alles eet? Het zal ongetwijfeld concrete oorzaken hebben. Iemand heeft een hekel aan gekookte andijvie gekregen omdat zijn moeder die altijd zo onaantrekkelijk klaarmaakte. Er zal ook wel sprake zijn van lichamelijke oorzaken. Iemand heeft van jongs af een allergie gehad voor alles waaraan een kaasluchtje zat. Er kan opvoedingsgemakzucht achter zitten. Sommige kleine kinderen mogen als koningen bepalen welk soort jam ze willen eten, want de ouders willen geen strijd aangaan om hun kinderen iets te léren eten.

Dat kan allemaal waar zijn. Er zit echter ook een psychologische tweedeling achter. Mensen die zich kunnen en willen aanpassen lusten veel meer dan mensen die zich niet kunnen of willen aanpassen. Nog korter door de bocht: lieve mensen lusten (bijna) alles. Dat is ook logisch. Een zich aanpassend kind doet gewoon wat de ouders willen. Die eet wat moeder voorzet. En als hij dat niet zo lekker vindt, eet hij het toch omdat hij niet dwars wil liggen. Hij gelooft ook z’n moeder die zegt dat je zuurkool elke keer als je die eet, iets lekkerder gaat vinden. Zó leert een kind dus alles eten. Een zich niet aanpassend broertje – eigenwijs dus – maakt stampij als er dingen voor z’n neus gezet worden die hij niet wenst. Het lieve broertje die dat ziet, zal, om mama te plezieren zijn bordje extra goed leeg eten. Deze gedragingen houden veel mensen levenslang, omdat het voor een belangrijk deel met hun karakter te maken heeft. Een lieve vrouw eet zonder zuchten alles op wat haar man klaarmaakt. Een zich niet aanpassende man eet pas lekker als zijn vrouw zijn eten klaarmaakt, precies zoals hij het hebben wil. Het is aanpassen of niet aanpassen. Mensen die zich aanpassen aan de eetgewoonten van kinderen of partner, kunnen zich er niet druk om maken. Zij zijn veel meer blij met vrede aan tafel en zelf eten ze toch alles.

‘Iets slikken’, is een uitdrukking die staat voor ‘iets accepteren’. Als je iets slikt, aanvaard je het, het komt in je, het wordt deel van je. Er zit meestal een negatieve klank aan. ‘Iets slikken’ duidt vaak op minder lekkere dingen. ‘Je moet niet alles slikken van je zus!’ En let nu eens op: mensen die alles slikken aan tafel, slikken ook veel van hun medemensen. Mensen die aan tafel moeilijk doen, kunnen dat ook na het tafelen. Wie de soms zelfs bizarre eetgewoonten van gezinsgenoten accepteert, slikt dus veel van hen. Iets slikken is: gewoonten van de ander je eigen maken, zelfs als je ze niet ‘lekker’ vindt.

Lieve mensen eten alles. Lieve mensen slikken ook alles. De winst is groot: ze houden daardoor relaties goed. Helaas moeten ze nogal wat slikken dat niet aangenaam is, al went veel. Daar zit een zwakte van lieve mensen: door hun aanpassingsvermogen kunnen anderen vreemde gewoontes blijven volhouden die ze juist zouden moeten afleren. Lieve mensen betalen ook een prijs: ze eten toch te vaak wat ze niet echt lekker vinden. Dat durven ze alleen niet eerlijk te zeggen, want ze willen de kok nooit teleurstellen.

Nu de toepassing op studenten HBO-theologie, GPW en GL. Ga je eigen eetgedrag na en voorspel je kwaliteiten en valkuilen als je straks aan het werk gaat. Ben je iemand die alles slikt? Dan mag je waarschijnlijk nog wel wat gaan doen aan je leiderschapscompetentie. Orde houden zal dan niet je sterkste kant zijn. Ben jij een zeur over het eten? Misschien ben je dan niet het meest geschikt voor pastoraal werk. Worstel jij alles naar binnen, ook wat je niet lust? Een beetje assertiviteit kun je dan wel gebruiken. Je moet grenzen kunnen aangeven, ook als je geestelijk werk doet.

Er is een vervolgonderzoek nodig of wát je eet ook verraadt hoe je later gaat werken. Het is te gewaagd om te zeggen dat iemand die elke dag aardappels, groenten en een stukje vlees eet, en altijd appelmoes bij de boerenkool wil hebben, niet geschikt is voor zendingswerk in het oerwoud en prima geschikt voor bejaardenpastoraat. Hoewel, ik kan me zelfs daar nog iets bij voorstellen.

Deel deze blog

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
Dit bericht is geplaatst in Geestelijk verzorger, Leiderschap, Pastoraat met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *