Hoe kun je als godsdienstdocent de religieuze ontwikkeling van je leerlingen stimuleren?

Auteur: Jonard Roukes n.a.v. zijn afstudeeronderzoek: Hoe kun je als godsdienstdocent de religieuze ontwikkeling van je leerlingen stimuleren?

Hoe kun je als godsdienstdocent de religieuze ontwikkeling van je leerlingen stimuleren? In de godsdienstles wordt er van alles gezegd, gevraagd en gediscussieerd; maar wat gebeurt er nu echt? Kun je daar als docent grip op krijgen?

In een praktijkonderzoek heb ik geprobeerd de leerlingen in te delen in ontwikkelingsstadia; hiervoor ontwikkelde ik twee testen vanuit de theorie van religieuze ontwikkeling van James Fowler. In deze testen werden de leerlingen bevraagd op hun handelswijze in situaties waarin de positie binnen de groep een belangrijke rol speelt. De resultaten van dit onderzoek gaven echter te denken. De resultaten van dit vooronderzoek sluiten niet aan op de onderzoeksresultaten die Fowler zelf weergeeft. Is Fowler dan wel geschikt om leerlingen in te delen? Mankeert er iets aan de testen? Of is er nog een andere verklaring?

In dit onderzoek wordt het vooronderzoek gecorrigeerd; de theorie van Fowler is minder bruikbaar dan gedacht en de testen zijn niet valide. Naast deze correcties op het vooronderzoek volgen in de rest van het onderzoek diverse noties die kunnen helpen de leerling een realistisch zelfbeeld te geven. Een aantal van deze noties zijn:

  • Theorieën over persoonlijke ontwikkeling moeten gerelateerd worden aan religieuze ontwikkeling; zo gaat de theorie van Fowler meer over manieren van zingeving dan over de mate waarin een leerling zich zelfstandig verhoudt tot het overgeleverde geloof.
  • De ontwikkeling van een persoon verloopt gedifferentieerd; zijn houding in de thuissituatie kan verder ontwikkeld zijn dan op zijn houding op school. De Groninger Identiteitsontwikke­lingsschaal helpt om de diverse gebieden in kaart te brengen.
  • Jongeren hebben tijdens de adolescentie de neiging van zichzelf een ideaalbeeld te geven in plaats van te beschrijven wie ze werkelijk zijn. Een zelfbeschrijving van een leerling hoeft dus niets te zeggen over wie hij werkelijk is.
  • De ontwikkeling van religieuze opvattingen kan verlopen op een subtiele manier, zonder dat het voor andere direct merkbaar is.
  • De cultuur waarin de leerlingen leven kan bepalend zijn voor de betekenis van een religieuze opvatting of uiting. Kennis van deze cultuur is dus nodig om de opvatting of uiting correct te interpreteren.

Kortom: het heeft weinig zin om te proberen grip te krijgen op de religieuze ontwikkeling van de leerling. Het is beter om de leerlingen meer inzicht te geven in hun eigen religieuze ontwikkeling en de manier waarop deze verloopt. Dit kan door gebruik te maken van de noties die hierboven genoemd zijn. Twee concrete voorbeelden voor de lespraktijk:

  • Laat de leerling zichzelf beschrijven aan de hand van een vraag gerelateerd aan geloof. Laat de mentor, vrienden of de ouders van de leerling eenzelfde beschrijving geven over deze leerling. Laat de leerling de verschillende beschrijvingen met elkaar vergelijken.
  • Laat de leerling in gesprek gaan met een andersdenkende van dezelfde leeftijd; laat deze twee personen elkaars levensbeschouwing omschrijven en daarover doorpraten. Herhaal dit gesprek na verloop van tijd één of meerdere malen.

Door zo te investeren in het zelfinzicht van de leerling kan de leerling zijn religieuze identiteit bewust vormgeven.

 

Deel deze blog

  • Facebook
  • Twitter
  • Delicious
  • LinkedIn
  • StumbleUpon
  • Add to favorites
  • Email
  • RSS
Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *